Een ode aan Binky

 

Het zat er al aan te komen. Weken, nee maanden geleden begon hij af te takelen. Ouderdom komt met gebreken, maar niet bij hem! De dierenarts heeft hij niet vaak gezien. En gelukkig maar, want het normaal zo lieve dier valt de dierenarts aan als een wild beest. Een tijger. Zo noem ik hem ook altijd; mijn tijger. Binky onze tijger. Een naam die mijn vader ooit bedacht. 14 jaar geleden toen we hem in het asiel uitzochten. Mijn vader, de kattenhater. Klompen gooiend naar in zijn tuin struinende katten. Deze man gaf mij voor mijn vijftiende verjaardag een kater uit het asiel. Ik werd langzaam ziek en hij had ergens gelezen dat een kat of hond kan helpen. En wat is mijn vader van dat beest gaan houden. Wij allemaal trouwens. Dat lieve beest dat bij me kwam liggen als ik me niet lekker voelde, of dat kwam spelen in een wilde bui. Dat ook een stukje vlees wilde tijdens een bbq, of met me mee over het ijs liep toen ik ging schaatsen in de polder. Het beestje dat boos was toen ik op mezelf ging wonen, maar na een paar maanden merkte dat ik altijd weer terug kwam. Die uitgeprint aan de witte ziekenhuismuur hing om mij te stimuleren door te vechten. Die elke vogel wegjoeg met zijn belletje, en dan maar met de gevangen mus van de buurkat aan de haal ging. Knorrend, mauwend en krabbend. Bijzonder hoe zo’n dier een onderdeel wordt van het gezin, een onderdeel van je leven.

En nu is de avond gekomen dat zijn lichaam op is. Goed rekenend is hij al minimaal 18 jaar, een hele mooie leeftijd dus voor een kat. Een hele mooie dood ook, sterven van ouderdom. Maar toch wel slikken, ik wil hem nog niet kwijt. Nog niet loslaten. Maar het moet. Het is beter zo. Na mijn werk ga ik meteen naar mijn ouders. En daar ligt hij; helemaal op. Maar hij leeft nog. Hij heeft gewacht op me, zal mijn moeder later zeggen. Gewacht op zijn baasje, dan pas kan hij gaan. Ik ga naast hem liggen en kijk hem aan. Het ene oog wazig, hij kan er al maanden niets meer door zien. Het andere oog kijkt alert maar ook wat angstig. Hij weet wat er komen gaat. Weet dat het goed is. Maar toch, toch is er nog enige tegenstribbeling. Ik aai hem en zeg dat het goed is, dat het mooi is waar hij heen gaat. Wat ik hem durf te zeggen door mijn eigen ervaringen toen ik kritiek lag. Ik mag het zeggen voor mijn gevoel, ik wel. Hij ligt languit, diep ademend. Te diep voor een kat. Zijn hele buik gaat heen en weer. Het kost hem veel moeite, zijn bekje is half open. Ik borstel zijn vacht, dat vindt hij altijd zo lekker. Maar dit keer heel zachtjes, ik durf niet harder. Ondanks zijn moeilijke ademhaling hoor ik hem knorren. God wat moet dat een opgave voor hem zijn. Ik fluister tegen hem dat hij wel mooi moet gaan, en borstel de klitten uit de vacht waar hij zelf niet meer bij kan. Het is een bloedhete dag, dat helpt ook niet mee. Extra zwaar voor zo’n oude kat. Als ik even op wil staan om wat te drinken te pakken, geeft hij een mauw. Maar niet de vertrouwde Binky mauw, dit lijkt wel een doodskreet. Een angstkreet. Ik word er verdrietig van. Hij wil niet dat ik wegga, ik moet bij hem blijven. Zodra ik weer naast hem ga liggen, hoofd tegenover hoofd, wordt hij rustig. Ik wil zijn kopje aaien maar het mag niet, hij duwt mijn hand weg. Jeetje wat heeft hij nog een kracht in zich. Hij weet niet wat hij met zijn pootjes aan moet, hij blijft ze verleggen. Zijn staart ligt er wat troosteloos bij, met het kromme puntje wat ooit gebroken is geweest. Ik kijk naar hem, mijn goeie ouwe beest. Mijn maatje, mijn mannetje. Mannetje tussen aanhalingstekens want hij heeft de kleur (schildpadkleur) van een vrouwtje, en ook de bouw is fragiel en klein. Toch is het een stoer beest dat zijn domein goed bewaakt. De buurkatten mogen niet aan zijn eten komen. De laatste maanden is dit anders, hij laat alles toe. Langzaam verliest hij terrein. Geeft zich over aan de jongere garde. We hebben het dus zeker aan zien komen. Toch weet je niet wanneer het moment daar is. Nu wel, ik zie aan hem dat dit zijn laatste uren zijn, of misschien minuten? Het is al laat, maar ik wil bij hem blijven, desnoods op een matrasje op de grond. Niemand wil alleen sterven. Al zeggen ze dat je alleen komt en alleen gaat, je bent een stuk rustiger als iemand je hand vasthoudt.

 

Dan probeert Binkje op te staan. Tot mijn verbazing laat hij zich in de kattenbak vallen, die we naast hem hebben gezet. Hij doet een heel klein plasje. Nou je kunt alles over hem zeggen, maar hij is zelfs zindelijk in zijn laatste levensuren. Eruit komen lukt niet meer, en dus leg ik hem weer op de grond. Ik voel dat hij helemaal geen tegendruk geeft, ik leg hem niet helemaal goed neer maar hij doet niets, spartelt niet tegen. Ik hoor hem kreunen en happen naar adem. Zijn plasje was net teveel van het goede. Ik houd hem vast, voel hem moeite doen om aan zuurstof te komen. Zijn lichaam begint te schokken. En dan voel ik het leven uit hem wegglijden. Ik begin te huilen, mijn tranen vermengen zich met zijn vacht. Dag lieve Binkje, slaap zacht. Ik zal je missen maatje. Wacht je daar op mij?

 

Een mooie dood, van ouderdom en zonder enge ziekten en een spuitje. Dat maakt het goed, geeft een goed gevoel. En ik mocht erbij zijn, daar ben ik heel dankbaar voor. Ik ben enorm dankbaar dat hij op mij heeft gewacht, ik had het vreselijk gevonden als mijn ouders me hadden opgebeld met de mededeling dat hij overleden was. Het was heftig en indrukwekkend om iemand zijn laatste levensadem uit te zien blazen, maar ik heb wel het gevoel dat ik tot het laatste moment echt alles voor hem heb kunnen doen. En ik kon zo heel goed afscheid nemen.

 

Daarna ben ik helemaal door de war. Verdrietig en leeg. Emoties van het overlijden wisselen zich af met leuke herinneringen. Ik besluit om hem te laten cremeren. Nog nooit zoiets meegemaakt, maar ik wil hem een waardig afscheid geven. Mijn ouders, zus en ik, het hele gezin, rijden twee dagen later met een gekoelde kat naar het crematorium. Nog heel even zijn we met zijn vijven, helemaal compleet. Heel idyllisch ligt het gebouw tussen wat bomen. Alleen de grote schoorstenen verraden wat er hier gebeurd. Het geronk ervan en de rook vind ik angstaanjagend, maar de omgeving en de warme ontvangst maakt alles goed. We mogen Binky afleggen, in een mandje tussen wat kaarsen en bloemen. We leggen hem zo neer dat het lijkt alsof hij slaapt. Hij ziet er nog verdomd goed uit na twee dagen vriezer. We maken foto’s, onze manier om met ons verdriet om te gaan. En daarna huilen we en troosten we elkaar. Na de koffie en thee zoek ik een mooie urn uit en een assieraad; een ketting met kattenpootje waar ook een beetje as van hem in komt. Dan begint het officiële gedeelte en moeten we de gegevens invullen. Bij de vraag wat de naam is, antwoord ik “Roelse”, maar de lieve man bedoelde de naam van de kat. Hij zal als wij weg zijn worden gecremeerd, verbrand in de oven, als het dier die er nu in ligt klaar is en opgeruimd. We zullen een formulier thuis krijgen met de precieze tijd, maar waarschijnlijk wordt het omstreeks 20.00 uur.

 

En dan gaan we naar huis, en laten hem achter. Vertrouwend op de goede afwerking. Raar om hem zo achter te laten. Zullen ze hem niet verwisselen? En gaat hij tot de crematie ook in een koeling? Ach, zijn ziel is eruit. Het is alleen nog maar een omhulsel. Stil rijden we naar huis, waar we spontaan beslissen om een Chineesje te halen. Even napraten over wat we hebben beleefd. Het was fijn om dit met zijn vieren te doen. Mooier kan hij zijn afscheid niet wensen. Terwijl we eten in het huis van mijn ouders, zie ik de resten van Binky. Zijn lege waterbakje, het schepje van de kattenbak, zijn krappaal met daarop een nageltje, zijn lievelingsmandje en het overgebleven eten wat klaar staat om aan de buren te geven. Even denk ik dat ik hem van de trap af hoor tippelen, en dat ik zijn belletje in de gang hoor. Dat ik hem zie liggen op de grond, maar het is een bruine tas. Het is stil in huis, er mist iets. We hebben verdriet om dit kleine dikke manneke, maar ook zoveel mooie herinneringen. Samen halen we anekdotes op en besluiten hem nooit te vergeten. Ik heb hem overleefd, wie had dat gedacht.

+ 29 juni 2010

Geschreven 2 juli 2010