Mijn handen. Ik sta er nooit zo bij stil, maar wat zijn die twee eigenlijk belangrijk. En wat maken ze toch een hoop mee.
Die van mij zagen op 31 oktober 1981 het daglicht. Ze hebben in zandbakken gespeeld, in bomen geklommen, barbies bekliederd. Ze hebben vuurtjes gestookt en leren schrijven en zwemmen. Er is op geduimd en nagel gebeten. Ze hebben een blokfluit bespeeld en zijn tussen de deur gekomen. Ze hebben leren fietsen, brommer rijden en auto. Talloze handen geschud op een treurige begrafenis. Een potlood onder borsten gedaan om te kijken of er al een BH nodig was. Voor het eerst make-up op gedaan en ringen omgekregen. Ze hebben slaperig de wekker uitgedrukt op een onmenselijke tijd, en een zware boekentas gedragen. Geabseild, wand beklommen en een vrije val gemaakt. Ze hebben vele taartjes, gebakjes en koekjes gebakken. Op hun 21ste richtten ze hun eerste huisje in en werden ze zelfstandig. Ze hebben vele badmintonwedstrijden gewonnen, een fotoshoot meegemaakt en leren poolen. Er heeft een infuus ingezeten en ze hebben een stoma leren verzorgen. Onder de zonnebank gelegen, een maskertje gekregen en een lakje. Ze hebben gemasseerd, getroost en geknuffeld. Elke dag aaien ze een haarbal op vier pootjes en gaan ze talloze keren door m’n haar. Ze koken het eten en hangen de was op. Ze hebben zelfs laatst leren behangen.
Als je ziet wat ze allemaal hebben meegemaakt zou je denken dat mijn handen inmiddels afgepeigerd zouden zijn. Maar nee, ze zien er nog jong en rimpelloos uit. Het nagelbijten is afgeleerd en twee keer per dag gaat er een smeerbaar goedje overheen. Op de duim zit een litteken wat herinnert aan het baksteenincident. Verder zijn het mooie slanke handen die veel schrijven, computeren en fotograferen.
Goh, wat hebben ze het toch druk, ik zou er moe van worden.